|
Er was eens een grote en nobele koning wiens land geterroriseerd werd door een sterke, sluwe draak. Als een enorme roofvogel schepte het geschubde beest er genoegen in dorpen tot een ravage te maken met zijn vurige adem. Ongelukkige slachtoffers renden weg van hun brandende huizen, om daarna gegrepen te worden in de muil of de klauwen van de draak. Hen die ineens verslonden werden kwamen er beter vanaf dan hen die mee werden genomen naar het hol van de draak, om in de vrije tijd van de draak te worden verslonden. De koning leidde zijn zonen en ridders in vele heldhaftige gevechten tegen de draak. Toen op een dag een van de zonen van de koning alleen in het bos aan het rijden was, hoorde hij zacht en laag zijn naam brommen. In de schaduw van de bomen en struiken, gekruld tussen de rotsblokken, lag de draak. Het schepsel zijn grote ogen, halfbedekt onder zijn zware oogleden, waren op de prins gericht. De mond van het reptiel rekte zich uit in een vriendelijke glimlach. “Wees niet bang”, zei de draak, terwijl grijze slingervormige wolkjes rook langzaam uit zijn neusgaten omhoog kwamen. “Ik ben niet wat je vader denkt.”
‘Wat ben je dan?” vroeg de prins, waakzaam zijn zwaard trekkend terwijl hij de teugels van zijn paard krachtig aantrok om hem te weerhouden van steigeren. “Ik ben genot,” zei de draak. “Rijd op mijn rug en je zult meer ervaren dan je ooit hebt kunnen denken. Kom nu. Ik heb geen verkeerde bedoelingen. Ik zoek een vriend, iemand die met me mee wil vliegen. Heb je nooit gedroomd om te vliegen? Nooit ernaar verlangd om te zweven in de wolken?” In gedachten hoog boven de beboste heuvelen zwevend liet de prins zich overhalen en weifelend kwam hij van zijn paard. De draak rolde een van zijn met vliezen bedekte vleugels af om als helling te gebruiken naar zijn kartelige rug. Tussen de uitsteeksels van de ruggengraat vond de prins een veilige plaats om te zitten. Toen sloeg het sterke schepsel tweemaal met zijn krachtige vleugels en lanceerde hen de lucht in. De argwaan van de prins versmolt in ontzag en vreugde. Vanaf die tijd ontmoette hij de draak vaak, maar in het geheim. Hoe kon hij immers zijn vader, broeders en de ridders vertellen dat hij bevriend was met de vijand? De prins begon zich afgezonderd te voelen van hen allemaal. Hun zorgen waren niet langer zijn zorgen. En zelfs als de prins niet bij de draak was begon hij meer tijd alleen door te brengen dan met de mensen die hij liefhad. De huid op de benen van de prins begon er gevoelloos uit te zien van het grip houden op de gekartelde rug van de draak, en zijn handen groeiden ruig en verhard. Hij begon handschoenen te dragen om zijn kwaal te verbergen. Na vele nachten van rijden, zag hij dat op de achterkant van zijn handen ook schubben begonnen te groeien. Bevreesd realiseerde hij zich zijn levenslot als hij zo zou doorgaan, en hij nam zich voor niet meer naar de draak te gaan. Maar, na twee weken zocht hij de draak weer op, gekweld door verlangen. En zo gebeurde het vele malen opnieuw. Hoe hij ook probeerde door te zetten, uiteindelijk vond de prins zichzelf weer naar de draak gesleurd als door de draden van een onzichtbaar web. In stilte, geduldig, de draak wachtte rustig. Op een koude, maanloze, nacht werd hun excursie een bezoek aan een slapend dorp. Al vuurspuwend uit zijn neusgaten brulde de draak van vreugde, terwijl de rieten daken onder hem verbrandden en de slachtoffers vluchtten uit hun brandende huizen. Naar beneden duikend, spuwde de draak opnieuw en vlammen overspoelden enkele dorpen onder hen. De prins kneep zijn ogen hard dicht als een poging om de slachting op te laten houden. Als het bijna weer ochtend was, en de prins terugsloop naar huis van zijn drakenavontuur was de weg voor het kasteel van zijn vader meestal volledig leeg. Maar niet vannacht. Doodsbange vluchtelingen stroomden binnen tussen de beschermende muren van het kasteel. The prins probeerde ongezien door de mensen te komen om naar zijn kamer te kunnen, maar sommige van de overlevenden staarden en wezen naar hem. “Hij was daar,” gilde een vrouw, “ik zag hem op de rug van de draak.” Anderen knikten hun hoofd in woedende instemming. Ontsteld zag de prins dat zijn vader, de koning, in de tuin stond met een bloedend kindje in zijn armen. Het gezicht van de koning weerspiegelde de doodsangst van de mensen, toen zijn ogen die van de prins vonden. De zoon vluchtte, in een poging te ontsnappen in de nacht, maar de wachters grepen hem alsof hij een ordinaire dief was. Ze brachten hem naar de troonzaal waar zijn vader plechtig op de troon zat. De mensen op beide kanten verhieven zich tot de prins. “Verban hem!”, hoorde hij een van zijn eigen broers kwaad uitroepen. “Verbrand hem levend!”, riepen anderen. Toen de koning opstond van zijn troon waren de donkere bloedvlekken op zijn koninklijke gewaard duidelijk zichtbaar. De menigte viel stil in verwachting van zijn beslissing. De prins, die niet in de ogen van zijn vader durfde te kijken, staarde naar de plavuizen in de vloer. “Trek je handschoenen en je wapenrusting uit”, beval de koning. De prins gehoorzaamde langzaam, vrezend om zijn metamorfose onbedekt voor het koninkrijk te laten zien. Was zijn schaamte niet al genoeg? Hij had gehoopt op een snelle dood zonder verdere vernedering. Geluiden van walging gingen door de menigte bij het zien van de dikke, harde huid van de prins en de kam groeiend langs zijn ruggengraat. De koning schreed naar zijn zoon en de prins week terug, een klap in het gezicht verwachtend, al had hij die nog nooit van zijn vader gekregen. In plaats daarvan, omhelsde zijn vader hem en weende toen hij hem stevig vasthield. Geschokt van ongeloof begroef de prins zijn gezicht tegen de schouder van zijn vader. “Wil je bevrijd worden van de draak, mijn zoon?” The prins antwoordde wanhopig, “Ik heb het zo vaak gewenst, maar er is geen hoop voor mij.” “Niet alleen,” zei de koning. “Je kunt niet alleen van de draak winnen.” “Vader, ik ben niet langer uw zoon. Ik ben half beest,” snikte de prins. Maar zijn vader zei, “Mijn bloed stroomt door jouw aderen. Mijn nobelheid is altijd diep in jouw ziel gestempeld.” Met zijn huilende gezicht nog altijd verborgen in zijn vaders omhelzing, hoorde de prins de koning tegen de menigte zeggen, “De draak is sluw. Sommigen worden slachtoffer van zijn stiekeme verleiding en sommigen van zijn geweld. Er zal genade zijn voor alleen die vrij willen worden. Wie van u die hier is heeft ook op de draak gereden?” De prins tilde zijn hoofd op om te zien of er iemand tevoorschijn zou komen uit het publiek. Tot zijn verbazing herkende hij een oudere broer, iemand die geëerd werd in het koninkrijk voor zijn gevechten tegen de draak en zijn vele goede daden. Andere kwamen, sommigen huilend, anderen hun hoofd laten hangend van schaamte. De koning omarmde hen allen. “Dit is het meest krachtige wapen tegen de draak,” riep hij. ”Waarheid” Geen geheime ritjes meer.” Alleen kunnen we hem niet weerstaan.” Vertaald van: Melinda Reinicke, Parables for Personal Growth (San Diego, CA: Recovery Publications, Inc., 1993), pp. 5-9. |